Overzicht

Promotieonderzoek: de waarde van wijkgerichte ondersteuning

11 maart 2021

Ruim vijf jaar na het baanbrekende adviesrapport Toekomst beschermd wonen van de Commissie Dannenberg, vinden Kwintes, HVO-Querido en Leviaan het tijd voor een tussenstand. Hoe werkt wijkgerichte ondersteuning? Wat zijn de succesfactoren,  wat is de beste vorm en vooral ook: voor wie en onder welke omstandigheden is het een passend aanbod? Complexe vragen, waar niet zomaar antwoord op gegeven kan worden. Dat vereist veel en grondig onderzoek. Een promotieonderzoek zelfs. Caroline van Genk is de ideale kandidaat met haar ervaring als persoonlijk begeleider en opleiding tot psycholoog. ‘Ik ben me aan het inlezen en heb daarbij steeds die cliënten in mijn achterhoofd. Ik herken hun problematiek, het heeft voor mij letterlijk een gezicht.’ Een gesprek over idealisme, hoge ambities en vooral: luisteren.

Voorheen woonden mensen met langdurende psychische problemen, vaak levenslang, in het psychiatrische ziekenhuis. RIBW’s maakten wonen in de wijk mogelijk. Waar in de beginjaren cliënten hier veelal in beschermde voorzieningen met continue aanwezigheid van begeleiding verbleven, woont tegenwoordig het merendeel van de RIBW-cliënten thuis met ambulante begeleiding. In 2019 was dat ruim driekwart van de cliënten. Sinds het Dannenbergrapport werken gemeenten, zorgaanbieders en vrijwilligersorganisaties aan nog verdergaande sociale integratie. Dit doen ze door samen te werken aan meer flexibele en wijkgerichte arrangementen. De hoop is dat hiermee een nog grotere groep mensen zelfstandig kan wonen en hierdoor meer kwaliteit van leven gaat ervaren.

Vier jaar geleden ervoer Caroline van Genk als persoonlijk begeleider bij zorginstelling Amarant soms weerstand als zij mensen uit een beschermde woonvorm begeleidde naar een zelfstandige woning. Bij de cliënt, die moeilijk afstand kon nemen van de veilige woonvorm, maar ook in de samenleving: de buurt zorgde niet altijd voor een thuisgevoel en ze liep tegen woningnood en bureaucratie aan.

Tussenstand

Vijf jaar na het Dannenberg-rapport is het onderwerp actueler dan ooit: regelmatig worden hierover lezingen en congressen georganiseerd. Dagbladen schrijven over de sociale impact ervan en steeds meer zorginstellingen reorganiseren hun werkprocessen en zoeken de samenwerking met elkaar, vrijwilligers en gemeenten om gezamenlijk het advies van Commissie Dannenberg in praktijk te brengen. Een goed moment voor een wetenschappelijke analyse.

Waarom koos je voor dit promotieonderzoek?

Caroline: ‘Toen ik de vacature zag, kwam eigenlijk alles samen. Ik heb bijna drie jaar met veel plezier als persoonlijk begeleider bij Amarant gewerkt. Na mijn studie Psychologie bleef ook de academische wereld trekken, maar ik wilde alleen een onderzoek doen waar de cliënt iets aan heeft. Wijkgerichte ondersteuning is een vrij nieuwe vorm van begeleiding. De drie organisaties waar ik mee samenwerk, Leviaan, HVO Querido en Kwintes, hebben dit op hun eigen manier in praktijk gebracht. Ze kozen daarbij hun eigen benaming, zo werkt Leviaan in wooncirkels, Kwintes noemt het ‘gewoon thuis’ en HVO-Querido ‘Wijkgericht werken’. Ze zoeken nog naar de optimale vorm en financieren daarom dit promotieonderzoek. Ik vind het een erg mooi initiatief. We kunnen het met de beste bedoelingen bedenken, maar in de praktijk ervaren cliënten het misschien anders. Ik draag graag bij aan die toetsing.’

Waar doe je het onderzoek?

‘Aan de Tilburg University, in het bijzonder het departement Tranzo van de Tilburg School of Social and Behavorial Sciences. Dat verricht onder meer wetenschappelijk onderzoek op het onderzoeksgebied zorg en welzijn. Tranzo spreekt me aan omdat daar de verbinding wordt gelegd tussen het academische en het praktische.’

Wat hoop je te bereiken?

‘Ik hoop over vier jaar een concreet advies te geven voor goede wijkgerichte ondersteuning. Een advies dat ook organisaties die het nog niet in praktijk brengen, als leidraad kunnen gebruiken om hun voorzieningen om te bouwen.’

Hoe ga je te werk?

‘Allereerst onderzoek ik de theorie: welke onderzoeken zijn er al gedaan, wat kunnen we leren van bestaande initiatieven als Active Recovery Triad en Housing First en wat kunnen we vijf jaar na het adviesrapport vanuit de praktijk concluderen? De tweede onderzoeksvraag gaat over de randvoorwaarden voor effectieve wijkgerichte ondersteuning. Wat zijn volgens de samenwerkende aanbieders, cliëntvertegenwoordigers en professionals de werkzame ingrediënten en gewenste uitkomsten? Dat antwoord hoop ik te krijgen in een groepsbijeenkomst met cliëntvertegenwoordigers, gemeenten, persoonlijk begeleiders, managers, woonbegeleiders en wijkvertegenwoordigers.’

‘Dan wil ik weten wat de ervaringen zijn. Ik organiseer daarvoor focusgroepen met veertig cliënten en hun netwerk, zoals de persoonlijk begeleider, hun familie, vrienden, andere begeleiders of bewindvoerders. Ik bespreek met hen wat deze vorm van begeleiding voor hen betekent en wat het verschil is met begeleid worden op een beschermde woonvorm. Die focusgroepen vinden drie keer plaats, verspreid over twee, drie jaar. Met al die informatie wil ik in kaart brengen bij welke mensen deze begeleiding past en welke ingrediënten daarbij doorslaggevend zijn.’

Waarom herhaal je die focusgroepen?

‘Om te zien hoe ze de wijkgerichte zorg ervaren, hun vertrouwen in eigen kunnen en gevoel van autonomie is toegenomen en ze zich welkom en onderdeel voelen van de wijk en voor wie de kwaliteit van leven verbetert. Daarvoor wil je vanaf de start meekijken. De verwachting is dat twee jaar een goed beeld geeft van de impact van het wijkgericht aanbod op iemands herstelproces. We vragen mensen om een mondelinge reflectie en gebruiken daarnaast vragenlijsten. Eenzaamheid vind ikzelf heel belangrijk om vast te stellen. Mijn grootste angst vanuit mijn eerdere werkervaring is dat mensen opgesloten zitten in hun appartementje en geen connectie voelen met de buurt. De stap naar zelfstandig wonen was voor sommige van mijn cliënten te groot, die hadden eigenlijk in eerste instantie intensievere begeleiding nodig. Ze verhuisden uit de woonvorm naar een andere wijk of woonplaats en gingen ook nog over naar het ambulante team. Ze verloren daarmee niet alleen hun vertrouwde omgeving maar ook hun vertrouwde begeleiders. Het wijkgerichte aanbod biedt daarom ook een tussenvorm voor mensen die wel graag zelfstandig willen wonen, maar meer nodig hebben dan het traditionele ambulante aanbod. Ik ben benieuwd of ik dit ook terugkrijg in mijn onderzoek. Ik hoop in ieder geval dat er in het onderzoek een rode draad naar voren komt, waar we van kunnen leren.’